Rusalka Santing maakte een groot kunstwerk over de strijd voor euthanasie bij psychisch lijden
‘Ik had mijn ouders zo graag een humane dood gegund’
Rusalka Santing was tweeëneenhalf jaar toen haar vader zichzelf om het leven bracht en vierentwintig toen haar moeder in 1992 hetzelfde deed. Ze verdiepte zich na de zelfmoord van haar moeder in het maatschappelijke debat over de later door minister Els Borst ingediende euthanasiewet. Haar betrokkenheid bij de humane dood als verlossing uit groot lijden is nooit meer verdwenen.
Enkele jaren geleden maakte ze tijdens haar kunstopleiding geïnspireerd door het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck een imposant werk over euthanasie bij psychisch lijden. The Chosen Ones, de uitverkorenen. De uitverkorenen zijn de weinige smekelingen die de vele hordes op het traject naar verlossing van een ondragelijk bestaan weten te nemen. In het veelluik gaf Rusalka uiting aan haar boosheid over het geringe aantal psychiaters dat bereid is om verzoeken om euthanasie te krijgen serieus te nemen. En op de weerstand tegen deze uitweg die bestaat bij een spraakmakend deel van de psychiaters. Via deze link kunt u het werk bekijken.
Rusalka’s kunstwerk was voor de stichting KEA, kenniscentrum euthanasie bij psychische aandoeningen, de aanleiding om mij te vragen haar te interviewen. Zo’n gesprek zou het debat over euthanasie voor deze patiënten in een nieuw perspectief kunnen plaatsen.
Ik bekeek de foto’s van The Chosen Ones, vond het prachtig en liet er geen gras over groeien om een afspraak met Rusalka te maken. Daarbij vroeg ik meteen of ze weet waaraan ze haar ongebruikelijke voornaam te danken heeft. Ik ken die alleen omdat Rusalka de hoofdpersoon is in de gelijknamige opera van de Tsjechische componist Dvořák. Maar waarom zouden Rusalka’s ouders gekozen hebben voor de naam van een onsterfelijke waternimf die tevergeefs een brug probeert te slaan naar de wereld van de sterfelijke mensen en die tenslotte haar menselijke geliefde een uit liefde gewenste doodskus geeft?
Ik zag Dvořáks meesterwerk enkele jaren geleden in een zwarte enscenering van de Nationale Opera, waarin niet alleen de prins maar ook de nimf sterft.
Rusalka? Ik moest denken aan het Latijnse gezegde nomen est omen. Een naam is een voorteken dachten de Romeinen.
Uit haar antwoord op mijn vraag bleek dat zij inderdaad een verband voelt tussen haar naam en haar leven. Ze schreef dat haar ouders operaliefhebbers waren, in het bijzonder van Rusalka.
De opera en het verwante sprookje De kleine zeemeermin van Andersen noemde ze het verhaal van haar moeder. De sprookjes gaan over noodlottige pogingen om twee onverenigbare werelden met elkaar te verzoenen. ‘Mijn vader is “verliefd” geworden op Hades, de god van de onderwereld en de dood. Zijn overlijden is mijn moeder eigenlijk nooit te boven gekomen. Tegen de liefde voor Hades kon ze niet op.’
Oog in oog met ‘The Chosen Ones’
Op het stationnetje van Tiel staat Rusalka me op te wachten voor een autorit naar haar woning, een ark in een zijarm van de Waal, een paar kilometer stroomopwaarts. Een rijzige vrouw die me glimlachend tegemoet loopt op het perron. Onderweg over de secundaire wegen van het land van Maas en Waal vertelt ze dat de ark nog maar kort terug is op de vaste aanlegplaats in Beneden Leeuwen, na een grote onderhoudsbeurt op een werf in Millingen aan de Rijn. Zij en haar partner Jurrian moesten daar met een ladder aan boord komen. Het had haar beter geleken om het interview uit te stellen tot na die onderhoudsbeurt: ‘Het was een chaotische tijd waarin ook nog eens Hester, mijn dochter het huis uit ging. Mijn hoofd stond gewoon niet naar zo’n gesprek.’
Ze praat gemakkelijk en als we aankomen bij de ark is de sfeer tussen ons al ontspannen, mede dank zij onze schriftelijke gedachtewisseling over haar naam. De ark ligt een eindje vanaf de dijk naar beneden. Je kunt zien dat de Waal nu laag staat, soms ligt de boot droog, soms ligt de lange loopplank hoog boven het water. Rusalka wijst hoé hoog. De zijarm is een meter of honderd breed. Aan de overkant is het groen tot aan de Waal daarachter, met struiken en bomen. Naast de dijkweg, bovenaan de helling ligt een schuur met daarvoor een grote stapel dikke boomstammen. De schuur is het atelier van Jurrian, waar hij er grote vazen en schalen van draait. Bij binnenkomst zie ik er een aantal van, achter glas in de entreehal. Maar ik heb er niet direct aandacht voor, ik wil meteen naar de kamer waar Rusalka voor mij The Chosen Ones heeft neergezet. Niet opgehangen, zoals de bedoeling is, daarvoor is de kamer te laag.
Het eerste wat ik me realiseer is hoe groot het verschil is tussen het zien van afbeeldingen van het werk en het in het echt bekijken. Rusalka heeft geprinte foto’s van haar personages bewerkt met acrylverf op doek en daarna met borduursels en olieverf. Maar daar zie je niets van op foto’s. In het echt komen de figuren tot leven dank zij de textuur van de materialen waarmee ze zijn opgebouwd.
Ik ben verbluft en neem me voor om een keer terug te gaan naar Gent waar ik lang geleden in de Sint Baafskathedraal het Lam Gods heb gezien. Rusalka’s werk is driekwart zo groot en is net zo opgebouwd, zeven bovenpanelen en vijf onderpanelen. Op mijn telefoon zoek ik het Lam Gods nog een keer op. Oog in oog met Rusalka’s variant is vooral het kleurverschil opvallend. Het Lam Gods sprankelt van de kleuren in een gedetailleerd geschilderd, door de zon beschenen landschap, The Chosen Ones bestaat grotendeels uit gestaltes die zijn afgebeeld in doorschijnend blauwe en grijszwarte tinten. Alleen op de bovenste panelen valt geel licht op de gezichten van de smekelingen aan weerszijden van de centrale figuur. Dat is een onmiskenbaar almachtige psychiater met weegschaal en zwaard. Op het onderste centrale paneel springt een geel ovaal eruit tussen alle gedempte kleuren. Geen zon, maar wel een bron van licht met daarin de contouren van een hand die reikt naar een klein tafereel er onder. Dat is de kern van Rusalka’s werk. Een naaste en een hulpverlener buigen zich over een patiënt die verlost wordt van het ondragelijke lijden.
Rusalka heeft wel lef gehad, denk ik, om zo effectief de manier aan te passen waarop haar Middeleeuwse voorgangers hun centrale beeld, het Lam Gods, hebben neergezet. Ook bij de Van Eycks is het thema verlossing. Hun zon beschijnt het Lam, symbool van Christus die de mensheid verzoent met God. Maar door het kleurengeweld er omheen valt het hoogtepunt veel minder op dan bij Rusalka.
‘Je bent een echte kunstenaar’, zeg ik tegen haar als ik na m’n korte verblijf bij The Chosen Ones naar de woonkamer loop waar de koffie klaar staat. Ik reageer daarmee op een opmerking in één van haar mails waarin ze zegt dat ze zichzelf geen kunstenaar wil noemen. Het doet haar overigens wel plezier, schreef ze, dat ze zich volgens haar getuigschrift amatéur kunstenaar mag noemen. Maar ze heeft het grootste deel van de werken die ze tijdens haar opleiding maakte weggegooid.
‘Niet goed genoeg,’ zegt ze nonchalant. ‘We gaan straks samen kijken naar drie andere dingen die ik wel wilde bewaren.’
Ik maak een aantekening, later in het gesprek wil ik proberen waar haar bescheidenheid, niet vals, maar in mijn ogen wel onterecht, vandaan komt. Als je zoiets kunt maken als The Chosen Ones, een werk waar ze twee jaar mee bezig is geweest, heeft het geen zin om te strijden over het predicaat kunstenaar. Dan bèn je het. Haar tegenwerping dat ze gebruik heeft gemaakt van foto’s omdat ze niet goed is in het tekenen van lichamen overtuigt me absoluut niet.
Zwarte romantiek
Het is licht in de woonkamer. We zitten aan de eettafel met uitzicht op het water en daarachter de begroeide landtong. Er gaat rust uit van de omgeving.
Ik vraag Rusalka of ze wat meer kan zeggen over haar vader waarover ze me nogal verontrustend had geschreven dat hij verliefd was op de god van het dodenrijk. Haar antwoord komt zonder aarzelen: ‘Mijn vader was een aanhanger van de zwarte romantiek, dat is voor mij geen vraag maar een feit. Ik was tweeëneenhalf toen hij zelfmoord pleegde en er zijn niet veel verhalen over hem, maar dat zwartige heb ik kunnen zien aan zijn schilderijen. Sombere taferelen, met treurwilgen, in donkere kleuren. Eén ervan hing bij ons thuis aan de muur. Hij was een liefhebber van Russische schrijvers, zoals Dostojewski, die boeken stonden in de kast. Hij fotografeerde dode, aangevreten beesten. In de schuur stonden beesten op sterk water. Ik heb alleen het lichtere werk bewaard, zoals een klein schilderijtje van een Keuls potje met wilgenkatjes en een doosje met aan de binnenkant een geschilderde sleutelbloem.’
De tweeëneenhalf jarige Rusalka was thuis toen haar vader zich om het leven bracht. Waarschijnlijk is toen haar grote angst voor misselijkheid ontstaan, een aandoening waar een naam voor is, emetofobie.
De dood van haar vader heeft, zegt ze, de grondtoon van haar leven bepaald, al werd er thuis niet veel over gesproken. Maar juist daardoor heeft het de grondtoon van mijn leven bepaald. Dat hij chemicaliën heeft ingenomen weet ze nog niet zo heel lang. Hij werkte op een laboratorium waar preparaten werden gemaakt. Een oud-collega van hem heeft het haar pas een jaar of drie geleden verteld.
‘Hij is voor mij altijd de grote afwezige gebleven. Vooral omdat mijn moeder nooit over zijn zelfmoord heen is gekomen. Het verdriet heeft haar nooit verlaten.’
Terwijl ze vertelt wordt haar stem steeds zachter.
‘Ze kon het leven niet meer oppakken nadat ze zo jong met deze manier van sterven werd geconfronteerd. Daardoor leed ze regelmatig aan depressieve periodes. Toen ik een jaar of tien was heeft ze de eerste zelfmoordpoging gedaan. Ik was thuis toen ze de medicijnen nam. Ik zie haar nog altijd naar de kast lopen waar ze die bewaarde. Op een gegeven moment werd ze misselijk, toen ben ik het huis uit gevlucht. Vanaf de galerij kon je naar binnen kijken en toen zag ik haar bij het toilet op de grond liggen. Ik ben naar de buren gelopen en die hebben de hele mallemolen in werking gezet. Zij werd naar het ziekenhuis gebracht en ik ben al die tijd dat zij daar was bij mijn oma en opa geweest.’
Een kind van tien, denk ik. Het moet een onuitwisbare indruk op haar hebben gemaakt. Kan ze zich er veel van herinneren, hoe voelde ze zich? Ze vindt het goede vragen.
‘Ik weet nog dat ik bang voor haar was, de eerste keer dat ik haar in het ziekenhuis mocht opzoeken toen ze uit de coma was gekomen. Tegelijkertijd had ik het goed bij de ouders van mijn vader. Ik mocht bij oma in bed slapen. Heel warm en liefdevol.’
Ze denkt een tijd na, terwijl ik terugblik op mijn eigen kindertijd. Wat weet ik nog van mijn leven toen ik tien was? Eigenlijk had ik ook een afwezige vader. Hij reisde als vakbondsbestuurder het hele land door. Het was bepaald geen prater en al helemaal geen knuffelaar. Maar dat werd ruimschoots gecompenseerd door mijn moeder. Mijn broertje en ik groeiden op in een veilig huis.
Een warm nest
Rusalka zegt dat haar huis dat aanvankelijk ook was: ‘Eigenlijk was het de eerste tijd best een warm nest. Mijn moeder hield van rust in het huis. Net als ik nu. In die tijd was oranjebruin in de mode, maar bij ons waren de muren wit, met daarop schilderijen. Ze weefde en spon, was altijd met textiel bezig. Ik mocht ook van alles. Verven op de ramen, tekeningen die er dan een paar weken op zaten. Een neef van me kwam graag over de vloer omdat hij pannenkoeken mocht bakken en rotzooi maken in de keuken.’
Ze beschrijft zichzelf als een stil kind dat de mensen en dingen om haar heen vanaf een zijlijn bekeek. Nog altijd wordt ze een buitenbeentje genoemd. Nu meestal vriendelijk bedoeld, zegt ze met een lachje.
‘Toen ik een jaar of tien, elf was mocht mijn moeder me niet meer aanraken. Aan de ene kant vanwege de puberteit, dat je je afzet tegen je ouders, maar toch… Hoe moet ik dat zeggen… misschien ook afstand nemen omdat er kennelijk iets bij me geknapt was van het vertrouwen… Mijn moeder zei een keer op de fiets dat onkruid niet vergaat. Dat ze weer zou opveren. Het zegt wel wat, dat ik dat onthouden heb. Het was aan de ene kant een hoopgevende opmerking, maar die maakte toch ook dat ik daarop niet helemaal durfde te vertrouwen. Het moet haar pijn gedaan hebben, dat afstand nemen van me.’
Ze wist dat haar moeder geen vrolijke Frans was, al probeerde ze voor haar dochter de periodieke depressies te verbergen. Die bleven terugkomen ondanks de medicijnen die ze kreeg. Dat verbergen lukte al helemaal niet meer toen ze psychotisch werd.
‘Ik was inmiddels een jaar of twintig toen ik haar op een nacht hoorde spoken, naar de wc gaan, rondlopen. Ik was weer zo bang voor het overgeven dat ik in bed ben blijven liggen. Toen ik de volgende ochtend opstond om naar school te gaan zag ze overal duivels uit stopcontacten komen. Ik heb haar toen zelf van Deventer naar Apeldoorn gebracht, naar haar psychiater. Die verwees haar naar de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis in Deventer. Dus ik weer met haar terug. Eigenlijk wilde ze daar niet blijven. Haar zo achterlaten deed pijn, het voelde alsof ik haar in de steek liet. Al wist ik best dat er daar mensen waren die haar konden helpen, terwijl ik dat niet kon.’
Afbouwen, afbouwen, afbouwen
Weer met zachte stem vertelt ze over de vier jaren daarna. Hoe ze op advies van de psychiater van haar moeder in Zwolle op kamers ging wonen waar ze haar havodiploma haalde. Daarna verhuisde ze naar Hengelo. In het ziekenhuis en daarna in een herstellingsoord ging het met haar moeder in zoverre beter dat ze het leven weer min of meer zelfstandig kon oppakken.
‘Maar ze wilde perse stoppen met de medicatie als het weer beter ging,’ zegt Rusalka.
Dat herken ik maar al te goed. Mijn lief Ella had dezelfde wens na een depressieve periode. Uiteindelijk maakte ze een eind aan haar leven toen een nieuwe inzinking haar overviel. Ze was voor de zoveelste keer gestopt met de medicatie. Ik zag dat stoppen met angst en beven aan, ze stond immers vlak voor haar pensionering, een ingrijpende verandering van haar leven. Dat soort veranderingen triggerden vaak een depressie.
Rusalka knikt begrijpend. ‘Afbouwen, afbouwen., afbouwen. Dat is ook het eerste wat mijn moeder wilde. Afbouwen. Aan de ene kant dacht ik, blijf die pillen nou slikken tot je dood, maar ik kon me er ook iets bij voorstellen. Toen ze thuis kwam en ik haar uit Zwolle opzocht was ze door die medicatie heel erg veranderd. Ze sprak moeilijk, viel gewoon in slaap in haar stoel. Ik vroeg me af, wat voor moeder heb ik teruggekregen? Moet ik haar leren accepteren zoals ze toen is? Hoe moest ik me daartoe verhouden? Het was ook best spannend, die psychoses, dan was ze helemaal in de war en ontzettend angstig.’
Ze was in Hengelo met haar studie personeelswerk bezig toen eind 1991 de politie aan de deur stond. Haar moeder lag in coma in het ziekenhuis na haar derde zelfmoordpoging, weer met een overdosis medicijnen. Een paar dagen later kreeg ze een hartstilstand.
‘Ze hadden haar toen gereanimeerd, maar ze kon niet zelfstandig ademen. Ik was daar best boos over. Joh, hoe vaak moest ze het nou proberen om duidelijk genoeg te maken dat ze niet meer wilde leven?’
Met een boze zucht: ‘Maar ja, het protocol hé. Op een gegeven moment, met Driekoningen, 6 januari, hebben ze ons gemeld dat ze gingen kijken of ze inmiddels wél zelfstandig kon ademen. De kans bestond dat ze dan zou komen te overlijden. Dus we waren erbij toen ze al die apparaten uitschakelden.’
‘We?’, vraag ik.
Ze knikt met een lachje. ‘Ja, ik was toen al met Jurrian. Al twee jaar, allebei als student. Zijn ouders waren er ook bij. Ik voelde me weer eens de toeschouwer. Ik zag, hoorde en rook van alles. Alle apparaten raakten overstuur, veel gepiep en andere geluiden. Als iemand lang in coma ligt ruikt het niet lekker meer, nagels blijven groeien…’
Rusalka’s stem was luid en duidelijk toen ze het over de reanimatie had. Nu moet ik goed luisteren als ze verder gaat, met lange onderbrekingen.
‘Ik vind het pijnlijk om hieraan terug te denken, omdat ik haar toen niet uit liefde heb kunnen vasthouden. Ik hield haar handen wel in de mijne hoor, maar alleen vanuit het gevoel dat zoiets hoort. Niet met compassie. Die heb ik pas later gekregen. Ik was net 24, een broekie nog. Jurrian was nog wat jonger zelfs. Als ik nu naar Hester kijk, die is ongeveer net zo oud als ik toen…’
Haar klus was voltooid
De broekies moesten naar het politiebureau om een briefje van haar moeder op te halen.
Rusalka was verrast: ‘Ze was behoorlijk dyslectisch. Schrijven was voor haar helemaal niet vanzelfsprekend. Dat ze me op dat moment nog wat mee wilde geven, op schrift, maakt het extra bijzonder. Ze is kennelijk gaan schrijven nadat ze de pillen al had geslikt. Je ziet aan het briefje dat ze beginnen te werken, de letters lopen op het eind door elkaar. Ze schrijft dat ze me kon loslaten omdat ik goed geland was in het leven. Haar klus was dus volgens haar voltooid.’
Weer een overeenkomst met de dood van Ella, denk ik. Zij heeft ook een afscheidsbrief voor me op de eettafel gelegd. Veel troostende woorden, ik was haar grote liefde, dat droeg ze in haar hart. Maar ze schreef ook iets waar ik na ruim zes jaar nog altijd bozig over kan worden. Ik zou vast sterk genoeg zijn om het zonder haar te redden. Hoezo? Hoe weet jij dat? Ik vertel het Rusalka en vraag hoe zij de vergelijkbare woorden van haar moeder opvatte. Ze schudt haar hoofd. Geen bozigheid. Ze vond het briefje van haar moeder ontroerend, heeft het al die jaren bewaard.
‘Ze sprak vertrouwen in me uit. Dat is trouwens een heel ingewikkeld begrip voor me. Vertrouwen in mezelf. Ik ben vaak bang om door de mand te vallen.’
Na een lange pauze, aarzelend: ‘Boosheid heb ik wel over mijn vader gevoeld. Toen Hester tweeëneenhalf werd, mijn leeftijd dus toen mijn vader zelfmoord pleegde, keek ik naar haar. Ik dacht, hoe kún je nou zomaar uit het leven stappen als je zo’n leuk kind hebt.’
Ze herhaalt het: ‘Hoe kán dat…’
Rusalka staat op en haalt uit een kast in de woonkamer een blauwgroene tekenmap die ze op tafel legt.
‘Ik kreeg na de dood van mijn moeder een burn-out en nu heb ik die weer. Ik ben beleidsadviseur leren en ontwikkeling bij een grote zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking en ik werk op dit moment maar halve dagen. Ik ben weer vastgelopen op mijn werk. Mijn manier van reageren op de omstandigheden daar hebben met mijn jeugdgeschiedenis te maken. Het uitzoeken daarvan is alsof die geschiedenis een ui is, waar ik elke keer een rok vanaf pel en dan denk ik…’
Haastig: ‘Dan denk ik, ja, nú ben ik er. Nu is er evenwicht. En nu is er toch weer een rok af te pellen. Het is ook wel frappant dat het nu samenvalt met het uit huis gaan van Hester. Het dringt tot me door dat dat op een heel andere manier gaat dan indertijd met mijn vertrek bij mijn moeder vandaan. Mijn contact met haar verandert na de turbulente puberteit en adolescentieperiode. Normaliseert. Dat is ontzettend leuk. En dat heb ik dus nooit met mijn moeder kunnen hebben, laat staan met mijn vader.’
Een oervorm van huilen
Ze valt even stil en vraagt me met haar naar het raam te lopen dat uitzicht biedt op de Waal-arm en het groen daarachter. Ze wijst naar rechts, naar de oostelijke oever. Daar is het niet groen, ik zie zand en andere tekenen van bouwactiviteit. Rusalka vertelt dat daar een appartementengebouw komt met drie woonlagen. Alles is daar gesloopt, zegt ze. De bomen, het groen.
‘Dat deed me ontzettend zeer. Ik moest er erg van huilen, dat was me al eerder gebeurd. Zo’n oervorm van huilen, ik dacht, dit klopt niet, dit gaat over iets groters. Ik heb mezelf nu als opdracht gegeven om mijn levensverhaal op te schrijven en te verbeelden. Het eerste wat ik altijd doe als ik onder spanning kom is analyseren. Ik wil altijd weten waarom, waarom. Waarom doet alles zo zeer, waarom voelt mijn huis niet meer veilig door die nieuwbouw. Waarom wil ik het liefst onder een steen zitten.’
Ze wijst op de tekenmap. ‘Hier zitten de collages in waarin ik mijn verhaal verbeeld. Wil je ze zien?’
Natuurlijk wil ik ze zien.
We bekijken het werk. De collages zijn grotendeels in zwart wit, vaak tegen een achtergrond met teksten. Heel kleine details zijn rood. Sommige beelden worden herhaald. Zoals een wc-deur die openstaat, met een lichaam ervoor. Haar vader. Glaswerk met rood gekleurde vloeistoffen, chemicaliën kennelijk. Een vrouw die rode pillen slikt. Een vrouw die haar hoofd in haar handen verbergt. Een huilend klein kind in een grote plas vloeistof, bij uitzondering geel. Een huis bevolkt met grijnzende demonen met een angstig kind, dat getroost wordt door haar moeder. Het beeld van de troostende moeder komt een paar keer terug.
Rusalka geeft tussen mijn zwijgend kijken door een paar keer een toelichting, zoals bij het kleine kind in een gele plas: ‘Mijn moeder heeft me ooit verteld dat ik zindelijk was toen ik tweeëneenhalf was, maar na het overlijden van mijn vader niet meer.’
‘Dit is het liefdevolle nest, mijn moeder en ik samen. Ze wachtte me altijd op met een kopje thee als ik uit school kwam.’
‘Hier zit alles in. Het me begluurd voelen straks, als die appartementen er staan. Het kapot maken van die bomen.’
‘Dit verbeeldt dat ik me knock-out geslagen voel tijdens een bezuinigingsperiode, we hebben toen op het werk heel wat over ons heen gekregen. Banen die verdwenen.’
‘Dit is de chaos, ik wil hier weg, maar ik kan niet weg, zit tussen gesloten deuren.’
Leven is lijden
Leven is lijden. Leven is lijden. Leven is lijden. De drie woorden worden steeds herhaald op een collage van een kind dat door een mand valt. De tekst Leven en laten leven dient als achtergrond voor het beeld van de moeder met het getrooste kind. Op dezelfde collage staat ook een mand met een speldenkussen. De mand is een nest, legt Rusalka uit. Het speldenkussen staat voor het samen met haar moeder met textiel bezig zijn.
Ik merk op dat het na wat ze al verteld heeft niet moeilijk is om te begrijpen wat ze bedoelt met de collages.
Ze lacht. ‘Zie je wel dat ik geen kunstenaar ben? Ik vertel verhaaltjes.’
Ik ga er niet op in, maar suggereer dat ze in elk geval een goede illustrator zou zijn. Dat bevalt haar kennelijk wel, glimlachend zegt ze dat ze van kinderboeken houdt.
De collages gaan niet alleen over de chaos en de aanwezigheid van de dood in haar eigen leven. Ze ziet die weerspiegeld in wat er gebeurt in de wereld. Enkele pagina’s in de map hebben op de achtergrond teksten als Wij weten hoe genocide zich voltrekt. Srebrenica herhaalt zich. Zuiniger dan Colijn. Yesilgöz. Poetin. Trump.
Tegen een achtergrond van de brandende Twin Towers staat een vrouwenfiguur die op haar rechterhand een jong paar draagt, op haar linkerhand een kind, onder haar arm de afbeelding van een jong persoon die ontzet televisie kijkt.
Met stemverheffing zegt ze boos: ‘Hoe kán het dat we die genocide in Gaza laten gebeuren? Hoe kán het dat Poetin zomaar Oekraïne kan invallen. Hoe kán zo’n Trump doen wat hij doet? Het is ook zo pijnlijk dat de mensheid niets leert van het verleden. Ik heb respect voor de Spaanse premier die zegt, dit kán niet. Punt. En dan heb je bij ons dat gewik en geweeg. We hebben hier nota bene het Internationale Ge-RECHTSHOF staan.’
Ze bladert door de map. ‘Hier zie je dat ik zou willen schreeuwen. Ik Wil Dit Niet!’
Haar boze wanhoop ontroert me. Rusalka verbeeldt niet alleen de vragen die ze zichzelf stelt, maar van een hele generatie. Ook míjn vragen.
Op een andere collage staat er in gedachtenwolkjes Stoppen. Doorgaan. Stoppen Doorgaan.
Wat bedoelt ze daarmee? Toch niet stoppen met leven?
Ze schudt haar hoofd: ‘Ik heb wel een periode gehad dat ik snapte wat mijn ouders had bezield om uit het leven te willen stappen en toen werd ik doodsbang. Tegen die angst heb ik een tijd medicatie gehad. Nee, die woorden stoppen en doorgaan gaan over wat er in mijn leven aan de hand is. En hoe ik daarmee om ga. Waarom ga ik geen ander werk zoeken? Waarom ga ik door met mijn relatie? Kan ik niet beter stoppen met mijn opleiding?
Ze zoekt weer in de map. In een barokke lijst een te dikke vrouw. Een spiegel waarin de koning van een schaakspel zichzelf als pion ziet. Een medaille Drama Queen. Een klok die op vijf óver twaalf staat met daaronder Zelfbeeld.
Ik wil weten waarom ze die barokke lijst er omheen heeft gezet.
Met een lachje: ‘Dat vond ik gewoon leuk. Zelfportret aan de muur, zullen we maar zeggen.’
Had ze zelf kunnen ontsporen met alle heftige ervaringen in haar jeugd?
Beslist: ‘Nee. Dat komt omdat ik voldoende evenwicht heb gehad. En liefde. Er zijn wel bepaalde patronen ontstaan. Mogen toegeven dat iets niet lukt is voor mij altijd een hell of a job geweest. Helaas nog steeds trouwens. Dan faal ik. Ik moet nog altijd proberen een beetje zakelijk te zijn als het tegenzit. Zo van, hup, trap onder je kont, ga door. Daar ben ik een heel eind mee gekomen. De dramaqueen zit er nog wel, maar die mag er niet teveel zijn.’
Gaat ze nog een tijdje door met deze verstripte autobiografie?
Rusalka stelt een wedervraag. ‘Wat zou ik nog moeten maken volgens jou?’
Een lange stilte. Denk. Denk. Ik weet geen antwoord op haar vraag.
Ze komt me te hulp. Of ik misschien nog iets wil drinken?
Nee, ik wil geen onderbreking. Ik wil samen met haar terug naar de kamer waar The Chosen Ones staat.
De arrogante psychiater
Zittend op een stoeltje bekijk ik Rusalka’s veelluik aandachtig. Zijzelf staat afwachtend bij de deur.
‘Jouw psychiater is wel érg arrogant’, zeg ik na een tijdje. De centrale figuur is veel groter dan de wat gebogen smekelingen aan weerszijden. Hij staat fier rechtop, hals gestrekt, kin naar voren. Ze glimlacht. ‘Jurrian heeft voor hem geposeerd. Ik hoefde niets te zeggen, hij ging automatisch zo staan.’
Met stemverheffing: ‘En daarmee heeft hij de arrogántie van die club wat mij betreft heel mooi weergegeven.’
‘Die club?’
‘Ja. De weigerachtige psychiaters. Ja. Die leggen hun wil op aan anderen. Dat maakt me zó boos.’ Rusalka wijst op de Bijbelteksten boven de twee figuren aan weerszijden van de psychiater. Ze heeft de woorden opgenomen omdat ze zo dicht mogelijk bij het Lam Gods wilde blijven. In het Engels staat er dat je moet doen naar wat je gehoord hebt en dat je een ander niet mag onthouden wat je geven kunt.
Staccato, met veel boosheid en klemtonen: ‘En dat doén die psychiaters wél, de mensen weigeren te geven wat ze kúnnen geven. Wat moet er in vredesnaam gebeuren voor ze het wél gaan doen? Wanneer willen ze wél iemand verlossen van het lijden? Ze zeggen wel dat het systeem ziek is, maar moet iemand dan lijden vanwege een ziek systeem? Ga dat systéem dan genezen! Door niet te handelen sluiten ze mensen uít. Ze sluiten ze óp. Ze laten ze in de kóu staan. Ze zetten humaan sterven achter slót en gréndel.’
Eind vorig jaar zag ze bij de publieke omroep de documentaire over de euthanasie van de 17-jarige Milou Verhoof. Ze had The Chosen Ones al meer dan een jaar daarvoor afgemaakt na zeven jaar studie Textiele beeldende kunst in Gent. De documentaire deed haar boosheid alleen maar toenemen.
Ze liet het niet bij boosheid, maar zocht contact met Menno Oosterhoff, de psychiater die Milou euthanasie verleende. ‘Het maakte veel indruk op me dat hij in de documentaire zegt dat hij gelooft zorgvuldig te hebben gehandeld, dat de toetsingscommissie er ook zo over dacht, maar dat het er uiteindelijk van afhangt hoe de Opperste Rechter oordeelt. Nou, ik ben niet christelijk maar die Bijbelteksten zijn voor mij duidelijk. In Gods schepping is ruimte voor euthanasie. Menno wordt volgens mij met open armen welkom geheten in de hemel. Ik heb hem in een mail verteld over The Choses Ones en zo ben ik bij KEA terecht gekomen. Ze doen noodzakelijk werk.’
Ze wijst me op de figuren rondom het centrale tafereel die een politieagent, een verpleegster, een treinmachinist en een schoonmaker voorstellen: ‘Milou zegt in de documentaire dat ze niemand met verschrikkelijke herinneringen wil achterlaten door een wrede zelfgekozen dood. Ze verwoordt de gevolgen daarvan zo mooi. Er zijn zoveel mensen de klos als iemand zélf een eind aan het leven moet maken. En dan de eenzaamheid van zo iemand. Mijn moeder heeft in het geheim die pillen moeten verzamelen. In het geheim heeft ze die geslikt. Hoe éénzaam ben je dan.’
Rusalka benadrukt een paar keer dat ze psychiaters niet wil verplichten zelf euthanasie te geven als ze daar morele bezwaren tegen hebben. Ze kan zich ook voorstellen dat het bij artsen na een aantal euthanasieën oploopt, dat ze zeggen, nu is het genoeg: ‘Het is tenslotte niet alleen het beëindigen van het lijden, maar ook van een leven. Dat zal je toch niet in je kouwe kleren gaan zitten. Maar ze moeten anderen niet dwingen om ook te weigeren euthanasie te verlenen vanwege hún bezwaren. Op die manier wordt een kleine groep collega’s veel te zwaar belast. Met die lange wachtlijsten als gevolg.’
Opnieuw: ‘Dat is de arrogantie van de mácht. Ze zijn sleutelbewaarder. Natuurlijk moet de afweging zorgvuldig zijn. Vandaar de weegschaal die de psychiater op mijn werk draagt. Maar hij houdt het zwaard, symbool voor het vellen van een oordeel op zijn rug, hij wil geen oordeel vellen. Houdt zich doof voor de smeekbeden.’
Steeds bozer: ‘De discussie wordt zó smerig gevoerd, terwijl de wet zó zorgvuldig in elkaar zit. Je ziet toch in die documentaire hoé erg Milou lijdt? En dan zó lelijk doen tegen haar ouders. Bij het openbaar ministerie vragen of ze niet vervolgd zouden moeten worden. Hoe kán dit?’
Komm süsser Tod
We bekijken samen nog even de weinige werken die ze na haar opleiding wel bewaard heeft.
Een klein object in de vorm van een theepot is gemaakt van blank textiel. De buitenkant van zacht vilt, de binnenkant van ruw henneptouw. Jeugdherinneringen heet het, een titel die ik meteen begrijp na wat Rusalka me verteld heeft over het warme nest en de dominant afwezige vader.
Komm süsser Tod is even sprekend. Het is een bijna zwart halssieraad van touw met daarom heen stekelige snippers handgeschept papier. De associatie met de doornenkroon van Christus dringt zich bij me op.
Rusalka legt uit dat de titel verwijst naar een lied van Eisbrecher, een Duitse industrial metal band. Uit haar hoofd citeert ze: ‘Meine Seele ist verdammt, und so zähle ich die Stunden, bis das Ende endlich kommt, näher und näher und näher. Komm süßer Tod.’
Het derde gespaarde werk is Pubertijd, een portret van Hester gemaakt met een moderne applicatietechniek. Haar gezicht is vereenvoudigd tot vlakken van rood en groen, ogen, mond en neus daarin als egaalzwarte vormen. Wat zei haar dochter ervan, vraag ik. Rusalka haalt met een glimlach haar schouders op. ‘Dit is nou eenmaal mijn moeder.’
Ik vind de drie werken erg mooi, vraag me af wat ze allemaal aan kunst heeft weggegooid en bezweer Rusalka de collages met haar levensverhaal te bewaren.
‘Oké,’ zegt ze.
Terug in de woonkamer vraag ik Rusalka wat meer te vertellen over de aanleiding om zich te gaan verdiepen in het onderwerp euthanasie bij psychisch lijden. The Chosen Ones lijkt me het resultaat van een lang proces.
Ze knikt: ‘Dat klopt. Mijn moeder overleed in 1992 en ik las toen het boek Ver Heen. De schrijver, psychiater Kuijper was zelf patiënt met angsten en psychoses. Het boek gaf me meer inzicht in de zwaarte van depressies en dus in het lijden van mijn moeder. In diezelfde periode begon het debat over euthanasie. Die twee dingen samen maakten dat ik het debat ben blijven volgen. Ik dacht eerst dat de wet van minister Borst alleen voor euthanasie bij lichamelijk lijden gold, maar zij heeft er al heel zuiver in verankerd dat ook psychisch lijden een reden kan zijn. Voor mij een openbaring.’
Ze staart voor zich uit. Dan, met een zucht: ‘Ik had mijn moeder zó graag een humane dood gegund. Het had zó anders gekund. Reken maar dat ik meegegroeid zou zijn als ze euthanasie had kunnen vragen. Net zoals de ouders van Milou. Dat je leert iemand in liefde los te laten. En dat kán nu.’
Epiloog
Een paar dagen na het gesprek met Rusalka, ik ben nog bezig met het uittikken van de geluidsopname, ontmoet ik haar tijdens een bijeenkomst van vrijwilligers van KEA waar ze een toelichting geeft op The Chosen Ones. Ze heeft het middenpaneel met de almachtige psychiater meegenomen. Tijdens de bijeenkomst krijgen de aanwezigen informatie over een nieuwe actie van de groep psychiaters die zich verzet tegen wat ze noemen ‘de huidige praktijk van euthanasie wegens psychisch lijden.’ Ze doen pogingen om een leeftijdsgrens van 25 jaar in de beroepscode op te nemen. Dit in weerwil van een onlangs genomen besluit van de Tweede Kamer om die juist niet aan de wet toe te voegen. In een pauze heb ik een geanimeerd gesprek met Rusalka over deze nieuwe demonstratie van de hardnekkigheid waarmee sommige psychiaters hun opvattingen verdedigen.
Weer drie weken later heb ik na het gebruikelijke dubben over de weergave van het gesprek met Rusalka de geest gekregen en raak ik in een schrijfflow. Als intermezzo bezoek ik in het Singermuseum in Laren met een groep vrienden de tentoonstelling over leven en werk van Jan Toorop. De expositie bevat ook werk van tijdgenoten die hem inspireerden of door hem geïnspireerd werden, met name toen zijn werk een sterk religieus karakter kreeg. Ik zie een drieluik in dezelfde donkere tinten als The Chosen Ones en moet natuurlijk meteen aan Rusalka denken.
En dan zie ik haar een zaal verderop staan.
Verbazing. Het lijkt waarachtig wel of ik in de wereld van de waternimf verzeild ben geraakt gaat er door me heen.
Ik houd het bij een korte maar warme groet, allebei zijn we verbaasd over het onwaarschijnlijke toeval.
En Dvořáks opera? Die hoop ik gauw weer te kunnen zien. Misschien kom ik Rusalka daar weer tegen.
Onno Bosma
Het interview is 17 maart 2026 afgenomen
`